Het denken is een passe-partout

Een groen donsdeken bedekt de heuvels in het noorden van Sardinië. Het is alsof iemand de kleur tot duizend nauwelijks van elkaar te onderscheiden tinten mengde en vervolgens haar fijnste penseel boven haalde. De bomen kietelen de lucht, hun kruin een leger wolkjes aan een afgrond.

Hier heb ik de kans om een ademhaling lang de mensheid te vergeten. Hier ontbreekt het aan alle tekenen van beschaving. De afstand doet me twijfelen aan dat woord: beschaving. Zijn wij eigenlijk wel beschaafd te noemen? Het vanzelfsprekende evenwicht dat hier heerst spot met dat idee. Ik speur naar elektriciteitspalen, hoor geen auto’s. De eerste vogels keerden terug na de winter. Zij zijn hier kasteelheer.

Ik koester dit uitzicht al twee maanden. En toch, is het vanaf waar ik nu sta – in een betonnen constructie die ooit een huis moest worden, of is geweest, een ruïne in feite – op één of andere manier meer waard.

Met het contrast van de betonnen zuilen langs weerszijden van het schilderij, worden de bomen nog mooier. In feite worden ze niet mooier. Ze blijven hetzelfde. Mijn blik verandert. Hun vermogen om te blijven groeien, een thuis alsook een familie te zijn, ook en vooral zonder aandacht – ze doen het juist beter in onze afwezigheid – werkt ontwapenend. Ontroerend, bijna.

Waarom hebben mensen nood aan een kader om iets ten volle te appreciëren? Wie kwam er voor het eerst op om kunstwerken een passe-partout, een houten frame, glaswerk ervoor, een gekmakend geheel van beperking en richting, toe te kennen? Waarom bewonderen we bloemen in vazen maar maaien we ons gazon kort?

Waarom hebben wij nood aan een kader, een context, iets of iemand die zegt waar we moeten kijken, met welke regels we het spel van observeren mogen spelen? Zijn wij niet in staat dat zelf te doen, onze aandacht te richten, onze focus te bepalen, schoonheid te zien zonder er lelijkheid naast nodig te hebben, zonder dat iemand hoeft te wijzen. KIJK, HIER, MOOI.

Waarom maakt een menselijk, lelijk kader, in dit geval, de natuur nog indrukwekkender? Is het enkel vanwege het contrast? Zegt een kader: hier begint de kunst. Het fenomeen. Ingelijst, maak uw klaar om iets te voelen, mens!

Maakt een kader het kijken draaglijk? Het geeft begin en einde aan. Maar wat als ik mezelf wil verliezen. Hebben we grenzen nodig? Verslikken we ons anders in het kijken? Is het onze luiheid. Onze gulzigheid. Onze mogelijkheid tot verbeelding. Ons gebrek daaraan.

Wat als onze ogen aan de zijkant van ons hoofd stonden en we konden kijken als dieren die hun eigen staart kunnen zien. Zouden we schoonheid nog herkennen? Zouden we er de tijd voor maken? Zouden we kunnen focussen op wat er voor ons ligt?

Er is vast één of andere filosoof die hier iets intelligent heeft over gezegd. Ik kan alleen maar een excessief aantal vragen stellen, mijn eigen verwondering bevragen en ze vervolgens vieren. Binnen dit kader.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s